Globalisering en mijnbouw: de andere kant van de medaille
Posted by Waldo Vanderhaeghen on February 13, 2008
Als resultaat van de oorlogen en spanningen in het Midden-Oosten stijgen de energieprijzen tot ongekende hoogten. Sommigen beweren dat voor het bezit van energiebronnen recentelijk zelfs een oorlog is ontketend. Ontwikkeling en welvaart worden echter niet enkel gevrijwaard door middel van het bezit van energiebronnen, ook andere materialen spelen hier een essentiële rol in. Vandaag de dag is het gevecht voor natuurlijke grondstoffen even belangrijk als het gevecht om energiebronnen. We willen hier focussen op mijnbouw en de toegang tot mineralen en in een tweede deel focussen we op twee specifieke voorbeelden, de Democratische republiek van de Congo en Peru.
Mijnbouw in de wereld
Goud in je computer, zilver om je pols, coltan in je GSM, koper in je huis, deze natuurlijke grondstoffen zijn een essentieel deel van ons leven. Metalen en mineralen worden in grote hoeveelheden uit de grond gehaald daar zij deel zijn van onze ontwikkeling en welvaart. Volgens de United States Geology service worden er 2000 keer meer mineralen geëxploiteerd in vergelijking met 1970, de wereldbevolking is verviervoudigd in één eeuw en de wereldeconomie blijft boomen. China bijvoorbeeld is verantwoordelijk voor één derde van de wereldvraag. Tussen 1999 en 2006 is de gemiddelde prijs voor mineralen verdrievoudigd, in het geval van goud en koper bijvoorbeeld zelfs met een factor van respectievelijk 7 en 5. De 40 grootste mijnbedrijven rapporteerden een verhoging van de winst van 5 biljoen dollar in 2002 tot 45 biljoen dollar in 2005. Het moge duidelijk zijn dat het belang van de ontginning van deze natuurlijke grondstoffen niet onderschat kan worden. Dit reflecteert zich ook in de machtspolitiek.
De meeste mineralen worden ontgonnen in het zuiden waar een interessant financieel klimaat heerst en de overheidsregulatie niet zo streng is. Op sneltempo worden er bi- en multilaterale akkoorden afgesloten. Voor de bedrijven ligt hun motivatie in winstmaximalisatie, de politieke krachten wensen hun niveau van welvaart te verhogen. De geopolitieke krachtmeting zoals we het kennen bij olie, vind dus ook plaats op het vlak van mineralen en metalen. Voorbeelden zijn vooral te vinden in Afrika en Zuid-Amerika. Hier zullen we twee specifieke gevallen bespreken, met name de Democratische republiek van de Congo en Peru.
Peru
Peru is een ertsrijk land, 20% van hun grondgebied gaat naar deze buitenlandse investeringen en elk jaar nemen de concessies toe met 9,6%. Dit is echter niet zonder problemen.
De meeste van de lokale gemeenschappen in Peru leven op basis van landbouw. Landbouwgrond en water zijn dan ook de belangrijkste voorwaarden voor hen. Water en land zijn eveneens de twee voorwaarden die de mijnindustrie nodig heeft voor zijn activiteiten. Voor één ton erts is er meer dan 1000 liter water nodig. Het dient dan ook niet gezegd te worden dat landbouw en mijnbouw natuurlijke tegenspelers zijn. Te meer daar mijnbouw een werkarme industrie is. Wereldwijd geeft de mijnbouwindustrie slechts werk aan 0,5% van de actieve bevolking hoewel het toch een grote stukken land en water in beslag neemt. In het geval van Peru bijvoorbeeld wordt slechts 2,6% van de lokale bevolking tewerkgesteld. De mijnbouw is dan ook een belangrijke factor in de emigratie van platteland naar stad, veroorzaakt grote spanningen tot zelfs afrekeningen, versplintert gemeenschappen gepaard gaande met verlies van cultureel erfgoed en vergroot de kloof tussen rijk en arm.
Daarnaast is ook de ecologische impact van mijnbouw groot. Volgens het Worldwatch Institute is de mijnbouwindustrie verantwoordelijk voor 7 tot 10% van de wereldenergieconsumptie in 2007. Het World Resource institute rapporteerde dat niet minder dan 40% van de onbeschermde bossen in de wereld is bedreigd door mijbouwactiviteiten. Daarnaast veroorzaakt het ook schade in andere domeinen zoals: verzouting, verdroging, watertekort, vrijlating van zware metalen in het ecosysteem, ecologische passiva die achtergelaten worden enzovoort.
Het moge duidelijk zijn dat in Peru mijnbouwinvesteringen niet enkel een positieve economische kant hebben. De andere menselijke en ecologische kant van de medaille wordt maar al te vaak vergeten. Organisaties zoals CATAPA pogen dan ook de mijnbouwindustrie te overtuigen op meer een sociaal verantwoorde manier te investeren in bijvoorbeeld Peru.
Congo: wapens, geld en GSM’s
10000 dollar voor één kilogram.
Neen, het gaat hier niet om cocaïne of zuivere opium. Het gaat hier over tantalium, de nieuwe economische drug. Verfijn coltan en je krijgt een hoogst resistant metaalpoeder die tantalium wordt genoemd. Voor de high-tech industrie, tantalium is een magisch poeder, de sleutelcomponent voor bijna alle van GSM’s, computer chips tot stereo’s en Dvd-spelers.
De grootste bronnen voor coltanontginning vindt men in Australië, Canada en Brazilië maar door de boomende high-tech industrie was er een nieuwe, meer sinistere markt opgebloeid tijdens de Afrikaanse wereldoorlog in de Democratische republiek van Congo. Rivaliserende rebellengroepen vanuit vooral Rwanda en Uganda exploiteerden Coltan om een bloedige oorlog mee te financieren. Deze tweede Congolese oorlog, ook wel Afrika’s wereldoorlog genoemd duurde van 1998 tot 2003 en koste 3,8 miljoen mensen het leven, een zelfde aantal zijn gevlucht. Volgens Human rights watch is er een directe link tussen de exploitatie van grondstoffen in de DRC en deze oorlog.
De link tussen coltan en bloedvergieten is oorzaak van verhoogd alarm bij high-tech producenten. Langzaam begint het door te dringen dat de mogelijkheid er is dat hun producten bedorven vruchten bevatten van een burgeroorlog. Er was een gelijkaardige controverse in 1990 rond diamanthandel die mee de burgeroorlogen in Angola, Liberia en Sierra Leone financierde Deze veroorzaakte strengere regulatie op de diamanthandel, strengere import- en exportvoorwaarden waren het gevolg. Bij tantalium ligt dit echter heel wat moeilijker. De markt voor metaal is gebaseerd op geheime handelsrelaties zonder al te veel internationale regulaties. De VN riep echter toch op tot een handelsembargo voor de import en export van coltan en andere mineralen van en naar Burundi, Rwanda en Uganda.
Het eerste en vooralsnog belangrijkste signaal kwam in april 2001 van de VN met het vernietigende rapport over de “illegal exploitation of natural resources and other forms of wealth of the Democratic Republic of the Congo.” Na zes maanden onderzoek had een panel van experten hun rapport voorgelegd aan de veiligheidsraad van de VN. Deze bevestigde duidelijk de link tussen de mijnbouwontginning en de staat van oorlog. De rebellengroepen financierden er niet alleen de oorlog mee maar hadden op die manier ook een direct belang bij het niet-beeïndigen van de oorlog, integendeel. Tot op de dag van vandaag, vijf jaar na de burgeroorlog, vind men nog steeds grote groepen buitenlandse rebellen in Congo die de economische belangen aldaar verdedigen. Daarnaast wees dit rapport ook met een beschuldigende vinger naar enkele mijnbouwbedrijven als medeschuldigen aan de oorlog. Onder andere vier Belgische bedrijven (Forrest-groep, ASA DIAM, e.a.) werden in dit rapport vernoemd als directe schuldigen. Maar ook grote internationale bedrijven zoals Fortis, Umicore, B.B.L. of Bayer werden genoemd als indirect bij betrokken. Hierna is er ook in België de senaatscommissie van de grote meren opgericht die als doel had deze zaak verder te onderzoeken. Deze commissie van de grote meren kwam tot enkele interessante conclusies die het rapport zeker het lezen waard maken.
Een medaille heeft twee kanten
De economie boomt, nog nooit zoveel is er zo’n ongekende welvaart in de wereld en steeds minder mensen leven in armoede. Het zijn zaken waar we terecht trots op mogen zijn en die moeten worden gestimuleerd. We mogen echter niet blind zijn voor de andere kant van de medaille. Deze economische groei heeft ook negatieve externaliteiten die men niet mag vergeten of verwaarlozen. Het situatie van mijnbouw in Peru vraagt om ecologischere en humanere investeringen in natuurlijke ertsen. De exploitatie van natuurlijke rijkdommen in de Democratische Republiek van Congo bewijst dat men met zorg moet omgaan waar grondstoffen vandaan komen. Zowel het geval van Peru als van Congo tonen aan dat acties moeten worden ondernomen om moreel onwenselijke situaties te vermijden.
